In de opvang

Ook binnen de (kinder)opvang kan de handpop een belangrijke rol gaan spelen en onderdeel worden van het pedagogische klimaat. De pop is daarbij geen ding maar een individuutje van waar uit je gesprekken en activiteiten kunt initiëren. De pop wordt pas een pedagogisch hulpmiddel door hem gericht en doordacht tot leven te roepen en hem iets te laten DOEN, het is belangrijk dat kinderen hem als gezellig, leuk en laagdrempelig ervaren maar ‘leuk’ is geen doel op zich.

Het doel van de aanwezigheid van de handpop heeft altijd te maken met het uitdagen tot deelname en interactie, het spelenderwijze stimuleren van de ontwikkeling, kinderen op een voor hen veilige manier laten oefenen met nieuwe vaardigheden. Kinderen laten veel meer van zichzelf zien in de aanwezigheid van de pop, laten zich makkelijker door de pop uitdagen dingen te doen die ze eigenlijk best eng vinden. Wanneer je je daarvan bewust blijft en het lukt om de pop als een ‘kind onder de kinderen’ te laten zijn, dan is er heel veel met de pop te bereiken. De handpop moet daarbij niet gezien worden als een ‘extra’ activiteit maar als onderdeel van het dag- of weekprogramma. De pop neemt een aantal inhouden voor zijn rekening die op het programma staan en springt in op situaties die zich voordoen. Daarbij kun je denken aan:

  • de kring (gesprekjes of activiteiten)
  • individuele gesprekjes (of activiteiten)
  • het zelfstandig en vrij werken
  • een inleiding op een onderwerp
  • de verdieping van een onderwerp
  • conflicten die zich voordoen
  • het oefenen met nieuwe vaardigheden (op welk gebied dan ook)
  • het oefenen met nieuwe situaties
  • het leren samenspelen en samenwerken
  • dag/week openingen/sluitingen
  • etc.

Extra kanttekeningen voor de kinderopvang

In de kinderopvang wordt er gewerkt met kinderen vanaf 0 jaar en voor de groep 0 tot 3 jarigen kan het werken met een menspop wel maar moet dit wel met zorg gebeuren om te voorkomen dat de hele jonge kinderen angst ontwikkelen voor de handpop.

Met name de ogen kunnen door hele jonge kinderen als bedreigend worden ervaren en ook de grootte kan afschrikken. Het aanbieden van een menspop moet heel voorzichtig gebeuren waarbij altijd gekeken moet worden naar de reactie van het kind (en dat kan per kind verschillend zijn). Toont het kind interesse, richt het zich naar de pop en durft het dichterbij te komen, dan kan er oogcontact met de pop gemaakt worden maar moet de pop nog niet gaan praten. Naast de ogen, kan het ‘rood’ van de mond afschrikken dus als de pop iets zegt, hou het klein en open de mond niet te ver. Deinst het kind terug van de pop, draait het zich af en toont het zichtbare angst, maak dan geen oogcontact en laat de pop zich ook wegdraaien. Werken met een menspop bij hele jonge kinderen vraagt veel afstemming, geduld en een ‘fingerspitzengefül’ wat je niet moet onderschatten en ook niet moet willen forceren omdat dat angst voor de pop tot gevolg gaat hebben. Dit geldt overigens ook voor angstige kinderen; met een kind wat zich wegdraait of een afwerende beweging richting de pop maakt moet je niet direct contact willen maken via de pop maar is een op het kind afgestemde benadering gewenst. Geef het kind de tijd om te wennen aan de pop en te ontdekken dat er niets is om bang voor te zijn maar maak geen contact met het kind via de pop totdat het kind zelf contact zoekt met de pop. Leg geen nadruk op de angst en bagatelliseer het niet.

Voor hele jonge kinderen is het veiliger om te kiezen voor een ander type pop, bijvoorbeeld een dierpop(en dan geen enge maar een vriendelijk ogende met een hoge aaibaarheidsfactor), een sokpop, eenhandschoenpop of een poppenkastpop. Daarmee ben je in je pedagogische doelen misschien wel wat beperkter maar de kans dat kinderen er bang voor zullen zijn is minder en daarmee maak je wel de weg vrij om op termijn met een menspop te gaan werken.

Bij de groep 0 tot 2 jarigen spelen ook de taalvaardigheden een grote rol, er is wel interactie mogelijk maar een heel gesprek zal toch wat lastiger zijn dus bij deze groep is het belangrijk dat de pop óf zelf vooral aan het praten (en de interactie zoekt in knikken, lichaamstaal of korte zinnen) is óf inspeelt op de zintuiglijke waarneming door kinderen te laten voelen, luisteren en kijken. Daarbij kan het gebruik van attributen en materialen heel goed werken.

Gesloten.