de handpop als pedagogisch hulpmiddel

Extra kanttekeningen voor de kinderopvang

In de kinderopvang wordt er gewerkt met kinderen vanaf 0 jaar en voor de groep 0 tot 3 jarigen kan het werken met een menspop wel maar moet dit wel met zorg gebeuren om te voorkomen dat de hele jonge kinderen angst ontwikkelen voor de handpop.

Met name de ogen kunnen door hele jonge kinderen als bedreigend worden ervaren en ook de grootte kan afschrikken. Het aanbieden van een menspop moet heel voorzichtig gebeuren waarbij altijd gekeken moet worden naar de reactie van het kind (en dat kan per kind verschillend zijn). Toont het kind interesse, richt het zich naar de pop en durft het dichterbij te komen, dan kan er oogcontact met de pop gemaakt worden maar moet de pop nog niet gaan praten. Naast de ogen, kan het 'rood' van de mond afschrikken dus als de pop iets zegt, hou het klein en open de mond niet te ver. Deinst het kind terug van de pop, draait het zich af en toont het zichtbare angst, maak dan geen oogcontact en laat de pop zich ook wegdraaien. Werken met een menspop bij hele jonge kinderen vraagt veel afstemming, geduld en een 'fingerspitzengefül' wat je niet moet onderschatten en ook niet moet willen forceren omdat dat angst voor de pop tot gevolg gaat hebben. Dit geldt overigens ook voor angstige kinderen; met een kind wat zich wegdraait of een afwerende beweging richting de pop maakt moet je niet direct contact willen maken via de pop maar is een op het kind afgestemde benadering gewenst. Geef het kind de tijd om te wennen aan de pop en te ontdekken dat er niets is om bang voor te zijn maar maak geen contact met het kind via de pop totdat het kind zelf contact zoekt met de pop. Leg geen nadruk op de angst en bagatelliseer het niet.

Voor hele jonge kinderen is het veiliger om te kiezen voor een ander type pop, bijvoorbeeld een dierpop (en dan geen enge maar een vriendelijk ogende met een hoge aaibaarheidsfactor), een sokpop, een handschoenpop of een poppenkastpop. Daarmee ben je  in je pedagogische doelen misschien wel wat beperkter maar de kans dat kinderen er bang voor zullen zijn is minder en daarmee maak je wel de weg vrij om op termijn met een menspop te gaan werken.

Bij de groep 0 tot 2 jarigen spelen ook de taalvaardigheden een grote rol, er is wel interactie mogelijk maar een heel gesprek zal toch wat lastiger zijn dus bij deze groep is het belangrijk dat de pop óf zelf vooral aan het praten (en de interactie zoekt in knikken, lichaamstaal of korte zinnen) is óf inspeelt op de zintuiglijke waarneming door kinderen te laten voelen, luisteren en kijken. Daarbij kan het gebruik van attributen en materialen heel goed werken.

Zie ook: basisworkshop